Tijdens mijn promotie in februari 2010 zat op het achterste bankje in de Agnietenkapel te Amsterdam een rijtje mensen die ik net daarvoor had leren kennen. Het waren mijn kakelverse collega’s van de afdeling Geesteswetenschappen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), waar ik toen net een paar weken werkte. Krap vier jaar had ik mij bezig gehouden met de intrigerende relatie tussen stadhouder Willem III (1650-1702), prins van Oranje, en de bestuurders in de provincie Utrecht. Het onderzoek had waardevolle inzichten opgeleverd in de machtsverhoudingen in de zeventiende-eeuwse Republiek. Nu was het tijd om mijn blikveld te verruimen.

Het was mijn wens om na mijn promotie aan de slag te gaan bij een maatschappelijke organisatie, waar mijn achtergrond als historicus van meerwaarde zou zijn. Bij NWO kreeg ik die kans. NWO financiert onderzoek van duizenden Nederlandse wetenschappers aan universiteiten en onderzoeksinstituten. Sinds begin 2010 ben ik er verantwoordelijk voor verschillende subsidierondes, waaronder Promoties in de Geesteswetenschappen. Door mijn ervaring binnen de universiteit weet ik dat NWO vaak prachtig onderzoek selecteert, maar nog veel vaker heel goede aanvragen moet afwijzen. Terwijl je als medewerker van NWO voortdurend opereert binnen juridische kaders en onafhankelijk moet zijn, wil ik op een toegankelijke manier onderzoekers helpen hun kansen op succes te vergroten.

Tegenwoordig is het belang van geesteswetenschappelijk onderzoek niet meer zo vanzelfsprekend als enkele jaren geleden. Wetenschappers moeten in toenemende mate aantonen dat hun werk ook buiten de academie nut heeft. Als gepromoveerd historicus wil ik mij niet alleen sterk maken voor fundamenteel onderzoek, maar ook laten zien dat de geesteswetenschappen groot maatschappelijk, cultureel en zelfs economisch belang hebben. Binnen NWO help ik mee aan beleid om de kansen te grijpen op een vruchtbare samenwerking tussen geesteswetenschappelijk onderzoek en de praktijk. Zo wil ik eraan bijdragen om het brede belang van (fundamenteel) onderzoek in bijvoorbeeld filosofie, geschiedenis, mediastudies, taalkunde, theologie en literatuurwetenschap weer evident te maken.

Share →